Wat zijn Belgische spoorwegzegels?

De Minister van Openbare Werken (omvattende Spoorwegen, Posterijen, Telegraaf, Mijnen, Waterwegen en Bruggen en Wegen) van België voerde op 1 mei 1879 een landelijk en uniform tarief in voor pakjes van 5 kg of minder die met de Staatsspoorwegen zouden worden verzonden. De betaling diende vooruit te geschieden door middel van zegels die door het spoorwegpersoneel op de vrachtbrief moesten worden geplakt. Hiertoe werden door de firma Gouweloos te Brussel door Charles Wiener getekende en gegraveerde zegels gedrukt in vier waarden. Deze zegels worden in het Nederlands spoorwegzegels genoemd, hoewel de in sommige postzegelalbums gebruikte franse benaming “timbres pour paquet de chemin de fer” en de duitse benaming ‘Eisenbahnpaketmarken’ de oorspronkelijke doelstelling van het gebruik van deze zegels nauwkeuriger aangeven. Spoedig werden de tarieven ook overgenomen door de - toen nog bestaande - vele private spoorwegmaatschappijen.
Net als bij postzegels werden de spoorwegzegels door middel van een afdruk van een stempel ontwaard. Zo’n stempel bevatte de naam van het station en meestal ook de datum van afstempeling. Bij de private spoorwegmaatschapijen werd vaak de naam van die maatschappij in al dan niet verkorte vorm vermeld. De posterijen verzorgden het vervoer in plaatsen die niet door een station werden bediend. Ook hier werden de door de Staatsspoorwegen uitgegeven zegels gebruikt. De postkantoren gebruikten voor de ontwaarding van deze spoorzegels hun eigen poststempels. Van 1879 tot 1932 verschenen er 167 van deze zogenoemde spoorwegzegels.

Ondertussen werd op 1 oktober 1928 ook bij de Belgische posterijen een postcollidienst ingesteld. Ook hiervoor werden aparte zegels uitgegeven. Tot 1932 verschenen er zes postcollizegels in twee series.
Op 1 juni 1932 werd de dienst van de postcolli ingericht door de posterijen en de dienst van de kleine colli ingericht door de spoorwegen, samengesmolten onder de naam "Binnenlandse dienst van de postcolli". Alle postkantoren, alle stations en de grotere halten werkten aan deze dienst mee. Er kwamen nu ook gecombineerde postcollizegels/spoorwegzegels, herkenbaar aan het voorkomen van zowel een posthoorn als het embleem van de NMBS. De zegels van vóór 1932 werden niet ongeldig verklaard en bleven dus in gebruik.
Kenmerkend voor de nieuwe zegels is dat er per serie evenveel zegels als verschillende tarieven zijn. Bij elke tariefswijziging moesten derhalve steeds zegels in de nieuwe waarden worden uitgegeven (vaak eerst door middel van een opdruk).
Naast de gecombineerde postcolli-/spoorwegzegels bleven er ook nog aparte spoorwegzegels verschijnen ten behoeve van de frankering van de vrachtbrieven voor andere goederen dan de kleine colli. Deze spoorwegzegels werden veelal uitgegeven in lange series, bestaande uit zegels voor alle eenheden, de meeste tientallen en enkele honderdtallen. Tariefwijzigingen vergden daardoor niet de uitgifte van een nieuwe serie. Daarom besloot men in 1972 om voortaan alleen nog spoorwegzegels te gebruiken en de gecombineerde postcolli-/spoorwegzegels af te schaffen. Voor de frankering van de vrachtbrieven werden overigens ook in sommige stations van de NMBS vanaf 1928 frankeermachines gebruikt.
Interessant in dit verband is dat er ook afdrukken van een frankeermachine van het station Liége Longdoz bekend zijn (november 1938), maar omdat dit station toen een gemengd station was (zie blz. 15) is het voor mij niet duidelijk of het de Nord-Belge dan wel de NMBS was die deze frankeermachine gebruikte.

De NMBS beëindigde het gebruik van spoorwegzegels op vrachtbrieven in 1987. De NMBS bleef daarna, waarschijnlijk uit financiele overwegingen, toch nog zegels uitgeven. Deze zegels worden dan ook terecht geen spoorwegzegels, maar spoorwegvignetten genoemd.
De afbeeldingen van twee spoorwegzegels zijn gebruikt als meegedrukte dienstzegel op kennisgevingen van ontvangst.

Ten behoeve van het reizigersvervoer (bijvoorbeeld het betalen van een bedrag van 10 frank bij het aanvragen van een sociaal abonnement) werden zegels gebruikt die erg veel lijken op spoorwegzegels, maar die het dus niet zijn (bijv. TR399, TR455-458 en TR461-465). In de Officiële Belgische Postzegelcatalogus worden deze zegels strafportzegels genoemd, maar die zegels worden wel gerubriceerd onder de spoorwegzegels. De NMBS noemde deze zegels op het aanvraagformulier voor zo’n sociaal abonnement eerst gewoon spoorwegzegels (model D.C. 1723), maar vanaf ongeveer 1975 takszegels (timbre taxe), model C 42/D.C.1723. De naam strafportzegels acht ik echter onjuist omdat het hier eigenlijk gaat om administratiekosten, niet om een te laag gefrankeerde brief. Heffingszegels zou wellicht een betere benaming zijn. Deze zegels werden afgestempeld op de stations (een mooi voorbeeld daarvan is het stempel met “Gare de Mons” in de eerste regel en “Abonnements” in de derde regel (datum 14-10-1965) op 2x TR341 welke zegel in de catalogus overigens wel, mijns inziens ten onrechte, als een gewone spoorwegzegel is opgenomen).
Spoorwegzegels werden echter alleen in het goederenverkeer gebruikt. Verwarrend bij dit alles is wel dat er af en toe een ander type zegel dan het voorgeschreven type werd gebruikt. Verder werden er door de NMBS ook nog reisgoedzegels en dagbladzegels uitgegeven. Omdat deze zegels spoorwegzegels met opdruk zijn, worden ze doorgaans, mijn inziens wederom ten onrechte, met gewone spoorwegzegels gelijkgesteld.

In de gespecialiseerde literatuur wordt altijd de vraag gesteld of spoorwegzegels echte postzegels zijn of niet. De uitgevers van postzegelcatalogi geven op deze vraag geen eensluidend antwoord. Onder meer Belgische en Franse spoorzegels worden door deze uitgevers gelijk gesteld aan postzegels, de spoorwegzegels uit onder meer Nederland, Duitsland en Scandinavië niet.
Zelf noemde de NMBS de op de vrachtbrieven geplakte spoorwegzegels “frankeerzegels” (timbres d’affranchissement/Frankierungsmarken), waarbij op de vrachtbrieven ook was vermeld “De stempel tot ongeldigmaking geldt als aannemingsstempel” (le timbre d’oblitération sert de timbre d’acceptation).
Mijns inziens zijn de spoorwegzegels die zijn uitgegeven van 1879 tot 1932 in ieder geval gelijk te stellen met postzegels. Het overgrote deel van deze spoorwegzegels is immers behalve met spoorwegafstempelingen, ook gekend met postafstempelingen. De tussen 1934 en 1972 uitgegeven gecombineerde postcolli-/spoorwegzegels moeten uiteraard tot de gewone postzegels worden gerekend. De tussen 1932 en 1987 uitgegeven spoorwegzegels hebben een wat onzekerder status. Vóór de status van postzegel pleit dat er nog steeds poststempels op deze zegels worden aangetroffen, hetgeen dus duidt op een postaal gebruik. Maar het aantal zegels uit deze periode met een poststempel is duidelijk geringer dan bij de spoorwegzegels uit de periode daarvoor het geval is. Toch geef ik deze zegels het voordeel van de twijfel.Van de reisgoedzegels, de dagbladzegels en de takszegels is geen postaal gebruik gekend. Deze zegels beschouw ik daarmee, net als uiteraard de spoorwegvignetten, niet als postzegels.

In deze catalogus speelt de discussie over het wel of niet postzegel zijn echter geen enkele rol. Het gaat om de stempels van de “Nord-Belge”, waarbij het voor mij niet van belang is of deze stempels zijn geplaatst op spoorwegzegels, gecombineerde postcolli-/spoorwegzegels, dagbladzegels of gewone postzegels (op reisgoedzegels zijn mij geen Nord-Belge afstempelingen bekend).
Incidenteel komen de Nord-Belge afstempelingen ook voor op telegramzegels, goederenverzekeringszegels en op fiscale zegels (met name op door de Nord-Belge uitgeschreven facturen).

Opvallend daarbij is dat er een Nord-Belge stempel is gebruikt als aankomststempel op een telegram (Hastière 04-08-1911 en Sclessin 07-02-1934), maar dat er ook een vrachtbrief bekend is waarop een achtkantig telegramstempel als aankomststempel is gebruikt (Quévy 22-11-1912). Om de verwarring nog groter te maken: in Seraing werd op 13-10-1912 een typisch reizigersverkeersstempel (type 5.2.2.) als aankomststempel gebruikt op een vrachtbrief/verzendingsbulletijn (en in Dinant hetzelfde op 05-12-1912).

Ook curieus is het voorkomen van zogenoemde gemengde frankeringen of vrachtbrieven. Naast één of meer spoorwegzegels voor het voldoen van de vrachtprijs werden er, voor het voldoen van de kosten voor aanvullende diensten zoals een remboursement, gewone postzegels gebruikt.
Tenslotte: hoewel daarover kan worden getwist zijn de telegramstempels die zijn gebruikt op stations van de Nord-Belge, niet in deze catalogus opgenomen, zelfs niet als het gaat om een rechthoekig telegramstempel van ANDENNE-STATION (eerste regel), met als tweede regel T 18-01-1940 T en met twee sterren in de derde regel. Vóór opname van dit stempel in de catalogus zou pleiten dat het gaat om een stempel op een vrachtbrief model DC 1985 (op TR210) en ANDENNE (-SEILLES) geen gemengd station is. Tegen opname pleit dat dit niet in het systeem van de catalogus past omdat het niet gaat om het gebruiken van een door Nord-Belge vervaardigd stempel.